Ren je Rot vragen: 70 meerkeuzevragen met A, B en C
Drie vakken, drie antwoorden en een groep die moet kiezen. Zeventig vragen op drie niveaus, met de regels voor het schrijven en een speelschema.

Ren je Rot is een van de weinige quizvormen waarbij niemand stil kan blijven zitten: er wordt een vraag gesteld met drie antwoorden, en je moet naar het vak lopen van het antwoord dat je denkt. Juist dat lopen maakt het spel, want je ziet meteen wat de groep denkt en je kunt nog van gedachten veranderen als de hele afdeling de andere kant op loopt. Hieronder staat een flinke set vragen op drie niveaus, hoe je ze zelf opbouwt en hoeveel je nodig hebt per speelduur.
Hoe het spel werkt
Je zet drie vakken naast elkaar op de grond: A, B en C. De quizmaster leest een vraag voor met drie mogelijke antwoorden en zegt wanneer de groep mag lopen. Iedereen gaat in het vak staan van het antwoord dat hij denkt. Dan komt het goede antwoord en zie je in één oogopslag wie het had.
Twee manieren om er een wedstrijd van te maken:
- Op punten. Een goed antwoord is een punt. Iedereen blijft de hele tijd meedoen en aan het eind is er een winnaar of een winnend team. Dit werkt het best bij groepen boven de twintig mensen en bij gezelschappen waar mensen elkaar nog niet kennen.
- Afvalrace. Wie in het verkeerde vak staat, is af. Dit loopt sneller en geeft meer spanning, maar je houdt na een kwartier een handvol mensen over en de rest staat te kijken. Doe deze variant dus kort en aan het eind.
De combinatie werkt in de praktijk het beste: eerst drie blokken op punten, en dan een slotblok als afvalrace met de tien beste spelers. Dan is er de hele tijd iets te winnen en toch een spannend einde.
Hoeveel vragen heb je nodig
Eén vraag kost ongeveer een minuut. De vraag voorlezen duurt vijftien seconden, lopen en twijfelen nog eens vijftien, het antwoord bekendmaken tien, en de rest gaat op aan het gejuich en het gemopper. Dat laatste wil je niet wegsnijden, want dat is waar de groep het leuk om heeft.
- 20 minuten: 18 tot 20 vragen
- 30 minuten: 25 tot 30 vragen
- 45 minuten: 38 tot 42 vragen
- 60 minuten: 50 tot 55 vragen
Neem daar een kwart extra bovenop als reserve. Er zijn altijd twee of drie vragen die ter plekke niet blijken te werken, bijvoorbeeld omdat de helft van de zaal het antwoord anders uitlegt dan jij bedoelde. Die sla je dan over, en dan is het fijn als er nog vragen op je blad staan.
Verdeel de vragen in blokken van tien tot twaalf en geef elk blok een eigen thema. Dat is niet alleen prettiger om te volgen, het geeft je ook een natuurlijk moment om de stand bij te werken.
Vragen schrijven die werken
De twee foute antwoorden doen het werk
Een meerkeuzevraag is zo goed als zijn foute opties. Als een van de drie antwoorden duidelijk nergens op lijkt, speel je in feite een vraag met twee antwoorden en wordt de helft van de groep per ongeluk goed. Zorg dus dat de foute opties uit dezelfde categorie komen als het juiste antwoord: bij een hoofdstad andere steden uit hetzelfde land, bij een jaartal jaartallen die in de buurt liggen, bij een aantal getallen die net boven en onder het goede zitten.
Eén antwoord, geen discussie
Lees elke vraag terug met de gedachte: kan iemand hier beargumenteren dat een ander antwoord ook klopt? Zo ja, herformuleer of gooi de vraag weg. Let vooral op vragen waarvan het antwoord in de loop van de tijd verandert, zoals bevolkingsaantallen of wie ergens de grootste is. Die zijn vandaag goed en over twee jaar fout, en iemand in de zaal weet dat.
Verdeel de goede antwoorden over A, B en C
Dit is het detail waar bijna iedereen de eerste keer op wordt gepakt. Als je je vragen op een rij zet, blijkt vaak dat het goede antwoord opvallend vaak B is, omdat je het juiste antwoord instinctief in het midden zet. Na vijf vragen snapt de slimste speler in de zaal dat en gaat die altijd in het middenvak staan. Tel ze dus na en herschik tot de verdeling ongeveer gelijk is.
Schrijf voor de hele groep
Bedenk wie er staat. Bij een afdeling waar de leeftijden van vierentwintig tot vierenzestig lopen zetten vragen over televisie uit één periode de helft van de groep buitenspel. Spreid de onderwerpen bewust: aardrijkskunde en natuur zijn het meest neutraal, muziek en film het minst.
Makkelijke vragen
Deze gebruik je in het eerste blok, om iedereen het gevoel te geven dat hij meedoet. Reken erop dat driekwart tot bijna de hele groep ze goed heeft.
- Wat is de hoofdstad van Nederland? A: Amsterdam. B: Den Haag. C: Rotterdam. Antwoord: A
- Hoeveel poten heeft een spin? A: zes. B: acht. C: tien. Antwoord: B
- Welke kleur krijg je als je blauwe en gele verf mengt? A: groen. B: oranje. C: paars. Antwoord: A
- In welke provincie ligt Enschede? A: Gelderland. B: Overijssel. C: Drenthe. Antwoord: B
- Hoeveel spelers van één team staan er bij voetbal op het veld? A: tien. B: elf. C: twaalf. Antwoord: B
- Wat is het grootste dier op aarde? A: de olifant. B: de blauwe vinvis. C: de witte haai. Antwoord: B
- Hoeveel dagen heeft februari in een schrikkeljaar? A: achtentwintig. B: negenentwintig. C: dertig. Antwoord: B
- Welke planeet staat het dichtst bij de zon? A: Venus. B: Mercurius. C: Mars. Antwoord: B
- Hoeveel kaarten zitten er in een standaard kaartspel zonder jokers? A: achtenveertig. B: tweeënvijftig. C: vierenvijftig. Antwoord: B
- Hoeveel ogen heeft een dobbelsteen in totaal? A: achttien. B: eenentwintig. C: vierentwintig. Antwoord: B
- Welke kleur heeft de bovenste baan van de Nederlandse vlag? A: rood. B: wit. C: blauw. Antwoord: A
- Hoeveel letters heeft het Nederlandse alfabet? A: vierentwintig. B: zesentwintig. C: achtentwintig. Antwoord: B
- Wat eet een panda vooral? A: bamboe. B: vis. C: vlees. Antwoord: A
- In welk land staat de Eiffeltoren? A: Italië. B: Frankrijk. C: Spanje. Antwoord: B
- Hoeveel seconden zitten er in vijf minuten? A: tweehonderdvijftig. B: driehonderd. C: driehonderdzestig. Antwoord: B
- Met welk voorwerp speel je badminton, naast een racket? A: een bal. B: een shuttle. C: een puck. Antwoord: B
- Wat is het grootste meer van Nederland? A: het IJsselmeer. B: het Markermeer. C: het Veluwemeer. Antwoord: A
- Hoeveel provincies heeft Nederland? A: elf. B: twaalf. C: dertien. Antwoord: B
- Aan welke zee ligt Scheveningen? A: de Noordzee. B: de Waddenzee. C: de Oostzee. Antwoord: A
- Hoeveel graden heeft een rechte hoek? A: vijfenveertig. B: negentig. C: honderdtachtig. Antwoord: B
Vragen met gemiddelde moeilijkheid
Dit zijn de vragen die het grootste deel van je spel vullen. De helft tot driekwart van de groep heeft ze goed, en de twee foute opties zijn geloofwaardig genoeg om te twijfelen.
- Wat is de hoofdstad van Australië? A: Sydney. B: Melbourne. C: Canberra. Antwoord: C
- Hoeveel toetsen heeft een standaard piano? A: zesenzeventig. B: achtentachtig. C: tweeënnegentig. Antwoord: B
- Wat is het chemisch symbool van goud? A: Go. B: Au. C: Ag. Antwoord: B
- Hoeveel botten heeft een volwassen mens ongeveer? A: tweehonderdzes. B: tweehonderdzesenvijftig. C: driehonderdzes. Antwoord: A
- Welke rivier stroomt door Maastricht? A: de Maas. B: de Waal. C: de IJssel. Antwoord: A
- In welk jaar viel de Berlijnse Muur? A: 1987. B: 1989. C: 1991. Antwoord: B
- Hoeveel ringen staan er op de olympische vlag? A: vier. B: vijf. C: zes. Antwoord: B
- Hoeveel spelers van één team staan er bij volleybal op het veld? A: vijf. B: zes. C: zeven. Antwoord: B
- Welk orgaan maakt insuline aan? A: de lever. B: de alvleesklier. C: de nier. Antwoord: B
- Wat betekent de uitdrukking "de kat uit de boom kijken"? A: eerst afwachten voordat je iets doet. B: ergens meteen op afgaan. C: iemand voor de gek houden. Antwoord: A
- Welk land is qua oppervlakte het grootste ter wereld? A: Canada. B: Rusland. C: China. Antwoord: B
- Wat is de langste rivier van Afrika? A: de Nijl. B: de Kongo. C: de Zambezi. Antwoord: A
- Welk dier is het snelste landdier? A: het jachtluipaard. B: de leeuw. C: de antilope. Antwoord: A
- In welk land ligt Machu Picchu? A: Peru. B: Mexico. C: Bolivia. Antwoord: A
- Welke Nederlandse stad heeft de grootste zeehaven? A: Amsterdam. B: Rotterdam. C: Vlissingen. Antwoord: B
- Hoe heet de grootste woestijn van Afrika? A: de Sahara. B: de Kalahari. C: de Namib. Antwoord: A
- Welk metaal is bij kamertemperatuur vloeibaar? A: kwik. B: lood. C: tin. Antwoord: A
- Wat is de officiële taal van Brazilië? A: Spaans. B: Portugees. C: Braziliaans. Antwoord: B
- Hoeveel snaren heeft een standaard akoestische gitaar? A: vier. B: zes. C: acht. Antwoord: B
- Wat is de hoofdstad van Canada? A: Toronto. B: Ottawa. C: Vancouver. Antwoord: B
- Welke Nederlandse stad wordt de Lichtstad genoemd? A: Eindhoven. B: Tilburg. C: Helmond. Antwoord: A
- Hoeveel kilometer is een Engelse mijl ongeveer? A: 1,2 kilometer. B: 1,6 kilometer. C: 2,1 kilometer. Antwoord: B
- Welke planeet heeft de duidelijkste ringen? A: Jupiter. B: Saturnus. C: Uranus. Antwoord: B
- In welk jaar begon de Tweede Wereldoorlog? A: 1938. B: 1939. C: 1940. Antwoord: B
- Hoe heet de munt van Zwitserland? A: de euro. B: de Zwitserse frank. C: de kroon. Antwoord: B
- Hoeveel tanden heeft een volwassen mens normaal, inclusief verstandskiezen? A: achtentwintig. B: dertig. C: tweeëndertig. Antwoord: C
- Welke Nederlandse schilder maakte De Nachtwacht? A: Johannes Vermeer. B: Rembrandt van Rijn. C: Vincent van Gogh. Antwoord: B
- Wat is de hoofdstad van Noorwegen? A: Oslo. B: Bergen. C: Stavanger. Antwoord: A
- Wat is het grootste orgaan van het menselijk lichaam? A: de lever. B: de huid. C: de longen. Antwoord: B
- Hoeveel kamers heeft een mensenhart? A: twee. B: drie. C: vier. Antwoord: C
Moeilijke vragen
Deze zet je in als de groep uitgedund moet worden, of als slotvraag van een blok. Reken erop dat een derde van de groep of minder ze goed heeft. Belangrijk: ook hier moeten alle drie de opties plausibel zijn, anders voelt het als pech in plaats van kennis.
- Wat is het grootste eiland ter wereld? A: Groenland. B: Nieuw-Guinea. C: Borneo. Antwoord: A
- Welk element heeft atoomnummer 1? A: helium. B: waterstof. C: zuurstof. Antwoord: B
- In welk jaar werd de euro in Nederland als contant geld ingevoerd? A: 1999. B: 2002. C: 2004. Antwoord: B
- Hoe heet de hoogste berg van Afrika? A: de Mount Kenya. B: de Kilimanjaro. C: de Atlas. Antwoord: B
- Hoeveel spelers van één team staan er bij waterpolo in het water? A: zes. B: zeven. C: acht. Antwoord: B
- Welke oceaan is de diepste? A: de Atlantische Oceaan. B: de Stille Oceaan. C: de Indische Oceaan. Antwoord: B
- Welke Nederlandse provincie bestaat het kortst? A: Flevoland. B: Limburg. C: Drenthe. Antwoord: A
- Hoeveel graden Celsius is het absolute nulpunt ongeveer? A: min 173. B: min 273. C: min 373. Antwoord: B
- Welk van deze dieren heeft de langste zwangerschap? A: de neushoorn. B: de olifant. C: de blauwe vinvis. Antwoord: B
- In welk jaar vond de Watersnoodramp plaats? A: 1944. B: 1953. C: 1962. Antwoord: B
- Hoe lang doet het licht van de zon erover om de aarde te bereiken? A: ongeveer acht seconden. B: ongeveer acht minuten. C: ongeveer acht uur. Antwoord: B
- Hoeveel procent van het aardoppervlak is bedekt met water? A: ongeveer vijftig procent. B: ongeveer zeventig procent. C: ongeveer negentig procent. Antwoord: B
- Wat is het hardste natuurlijke materiaal? A: kwarts. B: diamant. C: graniet. Antwoord: B
- Waar zitten de kleinste botjes van het menselijk lichaam? A: in het oor. B: in de vingers. C: in de neus. Antwoord: A
- Welke taal heeft wereldwijd de meeste moedertaalsprekers? A: Engels. B: Mandarijn Chinees. C: Spaans. Antwoord: B
- Aan hoeveel landen grenst Nederland? A: één. B: twee. C: drie. Antwoord: B
- Wat betekent "iets met de Franse slag doen"? A: snel en slordig. B: heel precies. C: in het geheim. Antwoord: A
- Hoeveel speelminuten heeft een wedstrijd in de NBA? A: veertig. B: achtenveertig. C: zestig. Antwoord: B
- Hoe heet het hoogste punt van Europees Nederland? A: de Vaalserberg. B: de Posbank. C: de Sint-Pietersberg. Antwoord: A
- Hoeveel inwoners heeft Enschede ongeveer? A: honderdduizend. B: honderdzestigduizend. C: tweehonderdtwintigduizend. Antwoord: B
Vragen over de eigen groep
Dit is het blok dat het meest oplevert en het meeste werk kost. Vragen over de aanwezigen, het bedrijf of de vereniging zelf doen iets wat algemene kennis niet kan: ze laten de hele groep lachen om dezelfde dingen. Reken op twee tot drie uur voorbereiding, want je moet een paar mensen bellen of mailen.
Vormen die werken, met telkens drie opties:
- Wie van ons. Wie van deze drie collega's heeft ooit in een band gespeeld? Zet drie namen in de vakken en laat de drie genoemde mensen vooraan staan.
- Hoeveel. Hoeveel jaar werkt onze langst zittende collega hier al? Drie getallen die niet te ver uit elkaar liggen.
- In welk jaar. In welk jaar verhuisden we naar dit gebouw? Werkt altijd, en meestal blijkt dat niemand het weet.
- Van wie is dit. Een foto van een bureau, een huisdier of een vakantiekiekje, met drie namen eronder. Vraag vooraf toestemming aan de betrokkenen.
- Hoe begon het. Wat was het eerste product dat dit bedrijf verkocht? Drie opties waarvan twee geloofwaardig fout.
Twee randvoorwaarden. Vraag de mensen over wie het gaat vooraf of ze het goed vinden, want een vraag die voor de persoon zelf vervelend uitpakt verpest de rest van het blok. En zorg dat de antwoorden controleerbaar zijn, dus niet uit iemands geheugen maar uit een personeelsdossier, een jubileumboek of een oude nieuwsbrief.
De vakken en wat je nodig hebt
Het spel vraagt weinig materiaal, maar de opstelling bepaalt of het soepel loopt.
- Drie vakken naast elkaar, duidelijk gescheiden. Binnen werkt vloertape of een touw, buiten pylonen of markeringshoedjes. Maak elk vak groot genoeg dat de hele groep erin kan, want bij een makkelijke vraag loopt vrijwel iedereen naar hetzelfde vak.
- Grote letters A, B en C boven of in de vakken. Een A4-tje is te klein, maak er borden van die van achteren te lezen zijn.
- De drie antwoorden zichtbaar, op een scherm, een flip-over of op de borden zelf. Alleen voorlezen is niet genoeg: de helft van de groep weet na tien seconden niet meer welk antwoord bij welke letter hoorde.
- Geluid dat achterin te horen is. Met veertig mensen in een zaal red je het niet zonder microfoon, zeker niet omdat er tijdens het lopen gepraat wordt.
- Een scorelijst als je op punten speelt, met de namen of de teams eronder. Laat dit door iemand anders bijhouden dan de quizmaster.
- Een duidelijk startsignaal voor het lopen: een fluit, een bel of simpelweg "nu". Zonder signaal gaan mensen te vroeg lopen en volgt de rest blind.
Ruimte: reken voor veertig deelnemers op een zaal van ongeveer tien bij acht meter. De loopafstand mag kort zijn, een paar meter is genoeg. Het gaat om de keuze, niet om de sprint, en een korte afstand houdt het spel ook toegankelijk voor mensen die niet hard kunnen lopen.
Vier dingen die het spel stilleggen
- Te lang uitleggen aan het begin. Drie punten zijn genoeg: drie vakken, lopen op het signaal, en wat er gebeurt als je fout staat. De rest leg je uit op het moment dat het aan de orde is.
- De eerste vragen te moeilijk maken. Als de zaal bij vraag twee al voor driekwart in het verkeerde vak staat, zakt de energie meteen weg. Begin flauw, ook al voelt dat zo.
- Het goede antwoord te vaak in hetzelfde vak zetten. Tel het na voordat je het blok vastzet. Een scheve verdeling is binnen vijf vragen doorzien.
- De afgevallen mensen niets te doen geven. In de afvalvariant staat na een kwartier de helft aan de kant. Geef ze een rol: vakken controleren, aftellen, scores bijhouden. Of speel het grootste deel op punten en houd de afvalrace voor het slot.
Een speelschema voor drie kwartier
- Uitleg: drie minuten, niet langer.
- Blok 1, algemene kennis, tien vragen: makkelijk beginnen en per vraag één punt.
- Blok 2, aardrijkskunde en natuur, tien vragen: gemiddeld niveau, met de laatste twee moeilijk.
- Blok 3, over de eigen groep, acht vragen: dit is het blok waar het meest om gelachen wordt. Zet het in het midden, niet aan het eind.
- Tussenstand: twee minuten, hardop voorlezen van onder naar boven.
- Blok 4, afvalrace, tien tot twaalf vragen: met de tien hoogst geplaatste spelers, oplopend in moeilijkheid.
- Uitslag: vijf minuten.
Dit schema komt uit op ongeveer veertig vragen en past in drie kwartier tot een uur, afhankelijk van hoeveel ruimte je de groep geeft om te mopperen over de antwoorden.
Zelf doen of laten draaien
Dit spel is goed zelf te doen. De opstelling kost een half uur, de vragen hierboven kun je direct gebruiken en de rest zit in het blok over de eigen groep. Reken op vier tot zes uur voorbereiding als je dat blok er serieus bij maakt, en op iemand die de scores bijhoudt zodat de quizmaster alleen met de zaal bezig is.
Waar het kantelt: wie de vragen schrijft, kan niet meedoen. En boven ongeveer veertig deelnemers wordt de presentatie het zwaartepunt, want je moet dan met geluid werken en de zaal in de hand houden tijdens het lopen.
Laat je het verzorgen, dan nemen wij de vragen, de vakken, de techniek en de presentatie mee naar jullie locatie. Een compacte versie begint bij 195 euro voor de hele groep. Een uitgebreider programma met eigen vragen over het bedrijf, decor en meerdere spelronden begint bij 550 euro, afhankelijk van de groepsgrootte. Op de pagina over Ren je Rot staat hoe we dat opbouwen, en via de offertepagina hoor je binnen één werkdag wat het voor jullie groep kost.
Wat je hieraan hebt
De zeventig vragen hierboven zijn genoeg voor een vol uur spelen. Pak er twintig makkelijke, vijfentwintig gemiddelde en tien moeilijke uit, tel na of de goede antwoorden gelijk over A, B en C verdeeld zijn, en zet ze in blokken van tien tot twaalf.
Investeer je voorbereidingstijd vooral in het blok over de eigen groep, want dat is het deel dat je nergens kunt downloaden en dat het meeste oplevert. Speel het grootste deel op punten en houd de afvalrace voor het slot, dan staat niemand halverwege langs de kant.
Zoek je meer vormen voor dezelfde avond, kijk dan bij het overzicht van activiteiten of bij het artikel over een pubquiz organiseren. Voor een complete middag of avond in de buurt staat op bedrijfsuitjes Enschede hoe we zo'n programma invullen.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heb je nodig voor Ren je Rot?
Reken op ongeveer één minuut per vraag, inclusief voorlezen, lopen, het antwoord bekendmaken en de reactie uit de zaal. Voor een half uur spelen heb je dus vijfentwintig tot dertig vragen nodig, voor drie kwartier veertig, voor een vol uur ruim vijftig. Neem daar nog een kwart bovenop als reserve, want er zijn altijd vragen die je ter plekke overslaat omdat ze niet blijken te werken.
Waarom altijd drie antwoorden en niet vier?
Drie vakken is de maat die hoort bij het spel en hij werkt ook praktisch het beste. Met drie vakken staat de groep altijd verdeeld maar nooit zo verspreid dat je niet meer kunt zien wie waar staat. Vier vakken vraagt meer ruimte, levert vaker een vak op waar niemand in gaat staan, en maakt gokken te onvoordelig. Bij drie opties is een gok nog één op drie, en dat houdt de mensen die weinig weten in het spel.
Hoe moeilijk moeten de vragen zijn?
Mik erop dat bij de meeste vragen ongeveer de helft tot driekwart van de groep in het goede vak staat. Dan blijft het spel lang lopen zonder dat het saai wordt. Zet daar per blok van tien vragen twee bij die bijna niemand weet, want die heb je nodig om de groep uit te dunnen in de afvalvariant. Vragen waarvan niemand het antwoord kan beredeneren voelen oneerlijk, dus zorg dat de twee foute opties altijd plausibel zijn.
Kun je Ren je Rot binnen spelen?
Ja, en dat is zelfs de makkelijkste variant. Je hebt drie vakken nodig naast elkaar, afgezet met tape, touw of kleden, en genoeg ruimte dat de hele groep in één vak kan staan. Een zaal of kantine van ongeveer tien bij acht meter is genoeg voor veertig mensen. Houd de loopafstand kort, een paar meter is prima, want het gaat om de keuze en niet om het rennen.
Wat doe je met mensen die uitvallen?
Geef ze een rol in plaats van een stoel. Laat afgevallen deelnemers de vakken controleren, de tijd aftellen of punten bijhouden, of laat ze als team verder spelen op papier. Nog beter is om de afvalvariant alleen voor het laatste blok te gebruiken en de rest van het spel op punten te doen, zodat niemand na vraag zeven aan de kant zit.
Ren je Rot laten draaien?
Wij nemen de vragen, de vakken, de techniek en de presentatie mee naar jullie locatie. Vertel wat voor groep het is, dan komen we met een voorstel.
Vraag een voorstel
